2014 is een feestjaar: ik geef al weer vijf jaar trainingen aan diverse groepen. Van brandweermannen tot bankiers, van makelaars tot douanebeambten en van intercedenten tot zeekadetten. Iedere groep heeft een eigen kleur en een eigen wijsheid. Wat begon als één van de opleidingskundige rollen in de studie opleidingskunde, is nu (deels) mijn vak.

Er zijn meerdere meningen en visies op het vak van trainer. Er is ook al veel goeds over geschreven. Graag voeg ik daar drie persoonlijke lessen aan toe die ik als trainer heb geleerd. Deze lessen dagen mij uit om bij iedere groep mezelf weer voor 100% in te zetten zonder me te verschuilen. En natuurlijk hoop ik dat ook andere trainers iets aan mijn lessen hebben.

Les 1: Er bestaat niet zoiets als ‘gezonde zenuwen’ voor een trainer
Doodzenuwachtig was ik tijdens mijn eerste trainingen. Bang om grip te verliezen, bang om verkeerde dingen te doen en bang om mensen niets te leren. Natuurlijk duurden deze zenuwen niet de hele training, maar ze overvielen me soms voorafgaand of bij de start van een training. Of ik lag achteraf met hoofdpijn op bed omdat ik alle spanning niet goed kon verwerken. Ik heb me regelmatig afgevraagd of ik wel trainingen moest willen geven. Want als ik één ding ervoer, was het dat de zenuwen mij in de weg zaten: ik kon de groep niet helder zien, laat staan dat ik ze optimaal kon begeleiden.

Ik ben inmiddels de (radicale?) mening toegedaan dat er geen gezonde zenuwen voor een trainer bestaan. Zenuwen helpen je als trainer niet, omdat ze altijd tussen jou en de mensen in je groep staan. Dat bemoeilijkt oprecht contact en een open leerklimaat. Daarom is mijn streven om vanuit ontspanning te werken. Ben ik dan nooit meer zenuwachtig? Natuurlijk wel! Ik probeer me er alleen niet meer door te laten leiden. En hoe ik dat doe? Door steeds weer te onderzoeken wat de oorsprong is van mijn zenuwen. En dat leidt me naar mijn tweede les.

Les 2: Als trainer ben je niet speciaal, je bent gewoon
De oorsprong van mijn zenuwen is vaak het idee dat ik als trainer iets speciaals moet brengen. Door deze vooronderstelling dreigt trainen een ego-kwestie te worden. Ik moet mezelf immers boven de groep plaatsen, specialer zijn dan de deelnemers. Deze gedachte belemmert open contact tussen mij en de groep, waarin vrij geleerd kan worden. Ik moet net iets beter en meer zijn, zodat de deelnemers afhankelijk van mij zijn. Door mij keer op keer te realiseren dat ik niet specialer hoef te zijn dan de deelnemers, nemen niet alleen mijn zenuwen af, maar wordt het leren tijdens de training ook echt weer het feestje van de deelnemers. Zoals het hoort in een training!

Les 3: Als trainer zwem je (soms) tegen de stroom in
Wanneer ik de eerste twee lessen ter harte neem, staat niets de derde les nog in de weg. Wat ik aan het begin nog moeilijk vond, zie ik nu als een kerntaak van mij als trainer: het aan de kaak stellen van patronen en vormen die het leren belemmeren. Uitspraken als ‘zo doen we het hier gewoon’ of ‘zo gaat het hier altijd’, blijven in mijn trainingen niet onopgemerkt. Ik vraag door en door, en help deelnemers om bewust te worden van de keuzes die ze (onbewust) maken. Dit betekent dat ik soms op weerstand stuit, omdat ik dan tegen de stroom in zwem. En dat is geen principekwestie, stokpaardje of koppigheid, maar komt voort uit de wil om deelnemers verder te helpen. Omdat ik denk dat zachte heelmeesters echt stinkende wonden maken.

Het grappige is dat ik aan de bovenstaande lessen weinig gehad zou hebben toen ik net begon met trainen. Het werken met de groep en het programma nam me toen al helemaal in beslag. Dus is ervaring opdoen als trainer en hierop reflecteren misschien wel de allerbelangrijkste les van de afgelopen vijf jaar geweest. Met vele trainingen in het vooruitzicht kijk ik nu al uit naar de trainingslessen voor de toekomst!